Schuitendiep 2 Groningen
di t/m vr 10-18 uur
za 10-17 uur
050 8511532

Werkkostenregeling (WKR)

Vanaf 1 januari 2015 is de werkkostenregeling (WKR) verplicht voor alle werkgevers in Nederland. 2014 is het laatste jaar waarin naast de werkkostenregeling ook nog het oude vertrouwde systeem van vrije verstrekkingen en vergoedingen (zoals bijvoorbeeld het Fietsplan) toepast kan worden maar vanaf 1 januari 2015 is dat niet meer mogelijk. De WKR is al op 1 januari 2011 ingevoerd, zodat werkgevers en werknemers vier jaar de tijd hadden om te kunnen wennen aan deze nieuwe regeling. Intussen zijn de meeste kinderziektes uit de regeling gehaald. Is de regeling nu volledig uitgekristalliseerd en voor iedereen helder? Welnee, ook na 1 januari 2015 zal de regeling bijgeschaafd en bijgesteld worden. Er zullen nog jarenlang rechtzaken volgen voordat voor iedereen duidelijk is hoe bepaalde onderdelen van de WKR geïnterpreteerd moeten worden. Maar de Belastingdienst en de verantwoordelijke minister hebben er het volste vertrouwen in dat de WKR voldoende verankerd is in de regelgeving om de regeling op te leggen aan alle werkgevers.

Op 1 januari 2011 is de nieuwe werkkostenregeling ingevoerd. De werkkostenregeling, al in het Belastingplan 2010 aangekondigd en opgenomen als onderdeel van de Fiscale Vereenvoudigingswet 2010, is door het kabinet bedoeld om de administratieve lasten van bedrijven te verlichten. Het kabinet introduceert een vrijgesteld bedrag (forfait) van 1,5% van de fiscale loonsom waaruit de werkgever bepaalde kosten kan betalen die de werknemers voor de uitoefening van hun werk maken. De ingangsdatum van de WKR was weliswaar 1 januari 2011, maar de wetgever heeft ondernemers een lange overgangstermijn gegund. Gedurende de jaren 2011 tot en met 2014 konden werkgevers ervoor kiezen om het huidige regime van vergoedingen en verstrekkingen te handhaven. De werkkostenregeling wordt per 1 januari 2015 verplicht voor alle werkgevers. Daarnaast is het forfait voor 2015 verlaagd naar 1,2% van de fiscale loonsom.

De werkkostenregeling uitgelegd

De werkkostenregeling is bedoeld als beperking van de administratieve lasten van werkgevers. De regeling is niet bedoeld om de kosten voor werkgevers te verlagen of om de belastingopbrengsten te verhogen. Het gaat dus om een fiscaaladministratieve handeling die voor werknemers geen gevolgen zou moeten hebben. Het kabinet introduceert een vrijgesteld bedrag (forfait) van 1,5% (intussen dus voor 2015 vastgesteld op 1,2%) van de fiscale loonsom waaruit de werkgever bepaalde kosten kan betalen die de werknemers voor de uitoefening van hun werk maken. De fiscale loonsom is het loon waarop de werkgever loonbelasting en premie volksverzekeringen moet inhouden. Het gaat hierbij om de totale loonsom die door een werkgever verloond wordt, dus zowel het loon van cao-gebonden als niet-cao-gebonden personeel.

De kostenvergoedingen worden verdeeld in aantal groepen:

● Gerichte vrijstellingen: de Belastingdienst heeft een aantal vergoedingen vrijgesteld waarmee ze dus buiten de werkkostenregeling vallen. Deze gerichte vrijstellingen komen in plaats van de huidige vrije vergoedingen en verstrekkingen. Gerichte vrijstellingen zijn: abonnementen openbaar vervoer, bijscholing en studiekosten van werknemers, reiskostenvergoedingen tot maximaal € 0,19 per kilometer, etc.

● Vergoedingen die op nul gewaardeerd zijn. Deze vergoedingen zouden wel een plaats in de werkkostenregeling moeten krijgen, maar zijn door de Belastingdienst op nul gewaardeerd en vertegenwoordigen dus geen waarde in het forfait. Voorbeelden hiervan zijn: Arbo-voorzieningen, Mobiele telefoons (zakelijk gebruik ), uniformen en werkkleding, etc.

● Vergoedingen die binnen het forfait vallen. Te denken valt daarbij aan: kosten voor bedrijfsfitness, inrichting werkplek thuis, contributie voor vakvereniging, personeelsfeesten, personeelsreizen, kerstpakketten, producten uit het eigen bedrijf, parkeerkosten, tol- en veergelden,etc.

Ook de “fiets van de zaak” valt binnen het forfait.

● Overige posten: de Belastingdienst onderscheidt verder nog enkele overige posten zoals de personenauto of bestelauto van de zaak. Hiervoor blijft de bestaande wettelijke regeling gelden.

Daarnaast worden de intermediaire kosten buiten de regeling gehouden. Intermediaire kosten zijn kosten die de werknemer in opdracht en voor rekening van de werkgever maakt. Wat de werkgever hiervoor betaalt, is dus geen kostenvergoeding aan de werknemer: de werknemer schiet de kosten slechts tijdelijk voor. Deze kosten mag de werkgever zonder fiscale gevolgen blijven betalen.

Het nieuwe stelsel heeft als voordeel dat vergoedingen en verstrekkingen binnen het algemene forfait niet meer op werknemersniveau hoeven te worden geadministreerd. Wordt er door de werkgever meer vergoed dan 1,2% van de loonsom, dan krijgt de werkgever over het meerdere een eindheffing van 80% opgelegd.

 

Wat betekent dit nu concreet voor de fiets van de zaak?

Als voorbeeld nemen we een bedrijf met 10 werknemers en een totale loonsom van € 300.000. Het fiscaal vrijgestelde forfait van 1,2% komt bij dit bedrijf neer op € 3.600, dus de werkgever mag tot € 3.600 belastingvrij aan zijn werknemers vergoeden. Dit komt dus neer op 360 euro per werknemer per jaar. Over 3 jaar is dit dus een bedrag van € 1080,- per werknemer. Dit lijkt dus meer dan de € 749,- van het huidige Fietsplan, echter moet vanuit ditzelfde potje dus ook bijvoorbeeld het kerstpakket, het personeelsfeestje, bedrijfsfitness enz. worden betaald. Kerstpakketje € 70,- per werknemer per jaar? Personeelsfeestje 50 euro per werknemer per jaar? Trek dit eraf en opeens is er nog maar € 720,- over. Het verschilt dus per werkgever hoeveel geld waarvoor vrijgegeven wordt en welk onderdeel belangrijk gevonden wordt.